Reis naar de maan deel IV: Op reis naar de zon

Reis naar de maan deel IV: Op reis naar de zon

Dit is een literair verhaal en dus fictie.

Het was al bijna 12 uur toen Heinz gedoucht en ontbeten had. Zijn ouders hadden hem een briefje achtergelaten dat ze met Toby en Marijn de stad in waren. Hij belde één van zijn vrienden, William, maar die nam zijn telefoon niet op. Ze zouden al wel in de stad zijn, dacht Heinz. Hij pakte zijn jas en vertrok op zijn brommer de heuvel omlaag en daarna weer omhoog én nog een keer omlaag richting het centrum van de stad. Frankfurt had een gezellig, middeleeuws centrum vlakbij de rivier de Main en de Goethe-Universiteit waar hij straks ging studeren, lag daar vlakbij. Van veraf hoorde hij al muziek en alle straten stonden bomvol geparkeerd met auto’s en toeristenbussen. Heinz hield niet echt van plekken waar te veel mensen waren, maar het was wel een bijzonder feest vandaag. Er waren het hele jaar door festiviteiten, maar dit was het hoogtepunt.

frankfurt
Frankfurt: vlak naast het oude centrum zijn de modernste wolkenkrabbers

Hij vond zijn vrienden in één van de zijstraatjes van het centrum en ze liepen wat rond om naar theatervoorstellingen te kijken. Frankfurt was de stad waar Johann Wolfgang von Goethe geboren was en omdat Faust zijn bekendste werk als toneelschrijver was, werd dat uiteraard opgevoerd. Goethe was ook wetenschapper en zelfs staatsman en dat was overal goed te zien. De jongens vonden het ook leuk om naar hun favoriete band te luisteren. Het was gaaf om die in het echt te zien, zomaar in je eigen stad en de sfeer was super bij het publiek. Na afloop van het programma van hun favoriete band gingen de jongens even naar het grote plein. Daar zat een waarzegger helemaal uitgedost in Arabische kleding en hij had er duidelijk zin in. Hij maakte er geen geheim van dat hij geen medium was, maar wel een beetje handen kon lezen. En de 5 euro die hij daarvoor vroeg en voor een heleboel grappen die hij daarbij maakte, gingen naar een heel goeie stichting voor weeskinderen. De jongens lieten hun handen dus lezen en maakten er een flinke lolbende van, zodat het hele plein opgeschrikt werd en iedereen opeens naar de waarzegger wilde. Goede zaken voor de stichting en dat mocht wel, dacht Heinz tevreden. Ze groetten de waarzegger joviaal en liepen weg om ergens wat te gaan drinken in een van de gezellige cafeetjes die het centrum van Frankfurt rijk was. Onderweg ernaar toe liepen ze Heinz’ ouders met Toby en Marijn tegen het lijf. Die hadden een dierenshow gezien, waar ze bijzondere dieren hadden kunnen bekijken. Een flamingo had Toby zachtjes in zijn vinger gebeten en trots liet die de beet zien. “Dat heeft niet iedereen!”, zei hij tevreden. Marijn vond de kamelen die er ook waren, het leukst en had een ritje mogen maken op één ervan. Hij liet de foto’s zien aan de grote jongens, die de kleintjes knuffelden en toen tegen Heinz’ ouders zeiden dat ze rond vijf uur wel thuis zouden zijn – ongeveer. En inderdaad kwam Heinz om kwart over vijf aantuffen op zijn brommer. Hij hielp zijn moeder met koken en aan tafel werd er gezellig nagepraat over het feest.

Toby was ‘s middags toen ze weer thuiskwamen, naar Marijns huis gegaan en at daar mee. Hij mocht er ook logeren en vond het leven die dag geweldig cool. Heinz was het hele ufo-avontuur totaal vergeten. Na het eten ging hij nog wat chatten met zijn vrienden en wat gamen totdat hij moe werd en ging slapen. Toen dacht hij opeens weer aan de maan met al zijn geheimen achterop. Hij was er nog steeds lang niet van overtuigd dat wat hij te zien had gekregen waar was, maar hij was nu eenmaal nieuwsgierig. En als iets hem interesseerde, dan was het wel de bouw van een echte ufo! Wie deed hem dat na? Wees nou eerlijk. Stel je voor dat hij straks na de uitleg van Everick hier op zijn kamer een ufo in het klein kon nabouwen! Daar deed hij het zeker voor en mocht het allemaal waar blijken te zijn, dan kon hij altijd zijn netwerk inschakelen om die waarheid onder het grote publiek te verspreiden. Heinz vond dat er al genoeg kolder werd verteld over buitenaards leven. Hij had zelfs hele sites vol met channelings gevonden: mensen die beweerden dat ze met buitenaardse ‘wezens’ (het woord alleen al, hij gruwelde erbij) konden praten – en ook dat anderen dat níet konden, hoe arrogant – en die sites stonden vol met ontzettende quatsch. Allemaal volkomen loze voorspellingen in wollige wartaal en hij kon er met zijn hoofd niet bij dat er blijkbaar een heleboel mensen waren, die dat allemaal volgden en er moed uit putten. Het leek hem logischer en zinvoller ook om gewoon eens de mensen op te zoeken, maar als er zoveel volwassen mensen waren die zo eenzaam waren dat ze niemand hadden om mee te praten, was dat misschien lastiger dan het hem toescheen. Daar maakten deze zogenaamde channelaars handig misbruik van, zo dacht Heinz erover. Hij hoopte dat hij zijn leven lang zoveel vrienden zou hebben als hij nu had en hij zou zijn best blijven doen om die vriendschappen goed te houden.

Hij kleedde zich om, poetste zijn tanden in de badkamer en ging in bed liggen, wetende dat Everick hem weer stond op te wachten in de stinkfabriek op de donkere, kille maan. Heinz gaapte eens en viel onmiddellijk in slaap. Hij sliep altijd goed, maar deze dagen was het bijzonder. Zodra hij in slaap was, stond hij inderdaad weer in de ufofabriek op de maan met Everick naast zich. Die legde hem voorzichtig uit dat hij het was, die de jongen die kant op haalde met een plan. Daarna legde hij zijn wijsvinger op zijn mond als teken dat er verder niet over gepraat kon worden. Heinz vond het wel mysterieus allemaal, maar het was niet eng. Everick was een geschikte kerel, die hem maar mooi alles uitlegde en nooit ongeduldig werd door zijn vragen of ongeloof. “Kom, laten we nu maar gaan kijken naar de buitenkant van de ufo’s”, zei zijn gids grijnzend. “Die wordt gemaakt van een legering, een combinatie van metalen. Daardoor zijn ze zo licht en kunnen ze zo charmant dansen in de lucht”. Okee, laat maar zien, dacht Heinz, ik ben benieuwd of ik dat na kan maken. Misschien is het wel ontzettend ingewikkeld en onmogelijk om te maken. Dan is het ook moeilijker om Evericks verhaal aan de mensen te vertellen, maar goed, zover was hij nog niet. De mannen liepen naar de achterkant van de grote loods die de fabriek was en sloegen toen rechtsaf richting het metaalgedeelte. Ja, er stond inderdaad een echte hoogoven, constateerde Heinz verheugd. Het stond erop: blast furnace, het Engelse woord voor hoogoven. Everick liet hem de metalen zien die erin werden samengesmolten: aluminium, kobalt, een blauwig metaal, en een laagje roestvrij staal voor de buitenkant van de ufo, tegen roest. “Wow”, liet Heinz zich ontvallen, “dat is ontzettend gaaf allemaal, maar hoelang gaat zo’n ufo eigenlijk mee? Die dingen moeten lange reizen maken, naar de maan en kennelijk ook naar de zon. Er schijnt dan wel een vacuüm te zijn in het universum, maar ze lijden vast onder die reizen”. “Een jaar of 20 tot 30 meestal”, antwoordde Everick. “Het ligt eraan hoever en hoeveel ze moeten reizen. Er zijn lijndiensten direct naar de zon of via de maan naar de zon en weer terug. Daar worden die kleintjes vooral voor gebruikt. De grote sterrenschepen, die meestal moederschepen worden genoemd door de mensen, worden eigenlijk net zo gemaakt, maar dat is een stuk ingewikkelder. De fabriek voor moederschepen is een stuk verderop hier op de maan”. Everick wees met zijn hand een richting op. “Wil je die fabriek ook nog zien of weet je nu wel hoe het werkt, denk je?”. Heinz knikte dat hij het voorlopig wel even genoeg vond. “Ik heb veel informatie te verwerken en ik kreeg vanavond opeens het idee om zo’n kleine ufo na te maken. Zo’n grote gaat me zéker niet lukken en een kleintje vast ook niet, als je daar een hoogoven voor nodig hebt. Maar je weet nooit wat er nog te regelen valt straks op de universiteit of misschien vind ik wel een fabriek in het Ruhrgebied, waar ik mijn ijzertjes even in mag hangen. Ik kan heel vriendelijk kijken”, voegde hij eraan toe, terwijl hij druk met zijn ogen knipperde. Everick lachte erom en nam de jongen mee naar de tafels waar de metalen verder in elkaar geslagen werden en bewerkt tot de vormen van een ufo. Dat was nog een hele sinecure om na te maken, maar ook als het niet lukte, had hij het mogen zien en dat was ook al geweldig.

Ze liepen naar de linkervleugel van de fabriekshal, waar het technologische deel van de ufo’s gefabriceerd werd. Het bestond uit een soort dashboard net als in een auto, maar dan geavanceerder en een motor. Eigenlijk leek het wel op het dashboard van een vliegtuig, al was het eenvoudiger tot zijn verbazing. “Het zijn lijndiensten”, legde Everick uit. “Die ufo’s hoeven niet allerlei manoeuvres te kunnen maken. Ze vliegen recht op hun doel af en dat is het”. Heinz zag een soort van rondomknop zitten, net als op een joystick. Daarmee kon de ufo dus kopje duikelen en op en neer dansen. De motor leek op die van een aards voertuig met een koeling erbij en een olievaatje, maar ook de motor van een ufo was eenvoudiger. Er waren grote pompen om de luchtdruk te regelen. Het waren er vijf en Heinz verwachtte dat die behoorlijk wat werk zouden hebben, aangezien een ufo een enorme snelheid kan ontwikkelen en er in het vacuüm in het geheel geen luchtdruk was. Wie wist hoe je je dan zou voelen? Hij had zich daar nog niet mee beziggehouden en moest de vraag schuldig blijven. Sjongejonge, dacht hij, dit zou mooi zijn als we dit systeem ook voor auto’s konden gebruiken. Die zouden dan niet meer zo hopeloos duur zijn, maar hoeveel zou de brandstof eigenlijk kosten en hoe milieubelastend was dit hele gebeuren? Hij vroeg het Everick, die antwoordde dat het een stuk milieubewuster was dan autogas of benzine en ook dan een elektrische auto. De schimmels groeiden vanzelf en konden in enorme hoeveelheden geproduceerd worden. Er hoefden alleen maar af en toe een paar mensen even langs te lopen om te kijken of ze al klaar waren en ze dan laten koken en samenpersen. Alles werd machinaal gedaan. Heinz zag nu de kookinstallatie, waar hij de dag tevoren overheen gekeken had. De paddestoelen kwamen daar geheel automatisch in, werden door een machine in een gigantische soort pan gegooid, waar ook automatisch wat water en Himalayazout werd toegevoegd en daarna werden ze alweer volautomatisch op een plateau gelegd, waar ze werden geplet en waar ze konden drogen. Tenslotte werden de grote plakken in kleine stukjes verdeeld en ja hoor: daar stond een groot filter dat de geur er uithaalde. Precies zoals Everick verteld had. Hoe hij dat na ging maken, wist Heinz nog niet echt, maar hij keek zijn ogen uit.

Everick loodste hem daarna naar de uitgang. “Poppetje gezien, kastje dicht”, zei hij met een grijns. Binnen een paar seconden stonden ze buiten. Heinz haalde een paar diepe teugen zuurstof in zijn longen. “En nu de zon!”, riep hij uit, “ik voel het, ik weet het!”. Everick nam hem mee naar de plek waar de ufo een paar dagen geleden was geland, vulde de tank met paddestoelenpoep, zoals Heinz de brandstof ervan had gedoopt en nam nog een paar dozen ervan mee als voorraad. “Is dat genoeg voor de hele reis naar de zon?”, vroeg hij ongelovig. Everick knikte en gebood hem in te stappen. “Dat reist vast een stuk comfortabeler dan toen je er achteraan vloog”, zei hij met een knipoog. Nu was het Heinz’ beurt om te knikken. “Hé Everick, jij praat met een Brits accent, maar de eerste keer dat we elkaar ontmoetten, had je het over de VS. Ben je daar opgegroeid dan?”, vroeg hij zijn chauffeur. “Jij met je slimme vragen”, antwoordde die, “Nee ik ben gewoon een Brit, maar ik ben wel in de VS geweest en daar komen de meeste mensen die hier werken, vandaan. Vandaar die vergelijking. In Engeland is het leven ook niet echt gemakkelijk overigens”. Heinz stond nog aan het begin van zijn leven, maar hij had niet de illusie dat het allemaal van een leien dakje zou gaan, ook al kwam hij gelukkig uit een welvarend gezin. Hij ging naast Everick in het ufootje zitten, dat eigenlijk alleen maar uit een cockpit bestond. Everick haalde een stapeltje sandwiches uit zijn zak en begon ervan te eten. “Dat hoef jij nu even niet”, zei hij, “maar ik wel, anders haal ik het niet tot de zon”. Hij haalde ook een thermosfles tevoorschijn, waar waarschijnlijk iets van thee of koffie in zat en dronk eruit. Heinz zag dat er ook een toilet was in de ufo. De reis zou dus wel een flink aantal uur duren of zelfs dagen, verwachtte hij, maar daar zat hij naast. “Klaar voor de start?”, vroeg zijn begeleider. Ja, knikte de jongen, “Laten we gaan, ik kan niet wachten om naar de zon te gaan. Hé wacht eens eventjes! Everick, ik zit mijn verstand niet echt te gebruiken hier. De zon, die is toch een klein beetje warm, zo’n paar miljoen graden, heb ik me laten vertellen? Daar kun je toch zelfs niet in de buurt komen?”. “Daar komt de aap uit de mouw”, antwoordde de man. “Wees maar niet bang: de zon is niet heet, die is zelfs best koud eigenlijk. De stralen ervan worden opgewarmd door de buitenste sferen van de aarde, bijvoorbeeld de dampkring. Daarom zou het logisch zijn als het overal ongeveer hetzelfde weer was op aarde. Kleine verschilletjes, maar niet zo groot als nu het geval is. Het is de maan die de warmte van de zonnestralen weer voor een deel wegtrekt. Het is hier niet zo koud, dat heb je al gemerkt he? Soms geeft de maan ook weer warmte af aan de aarde en dan krijg je hittegolven. Het heeft allemaal te maken met het aantrekkings- en afstootmechanisme van de maan ten opzichte van de aarde. Jah, ik weet het: dit moet je even verwerken. Ik zal je de tijd geven, terwijl we alvast vertrekken”.

Hij startte de motor van de ufo met een gewone sleutel net als een auto en zachtjes zoefden ze de lucht in. “Weten je collega’s dat we ervandoor gaan? En komt er niet toevallig net nu een ufo van de zon, waar we een mooie botsing mee riskeren?”, vroeg Heinz een beetje benauwd. Everick lachte breeduit. “Joh nee natuurlijk niet! Ik weet wel wat ik doe hoor en ja, de bemanning van de maan weet dat we nu vertrekken en waarheen. We zitten allemaal in het plot”. Het plot … wat zou dat betekenen?, vroeg de jongen zich af. Hij begon wel een idee te krijgen, maar hij zou het wel zien. Even geduld opbrengen was een schone kunst. Nog even en hij zou gewoon op de zon zijn! Wie had dat ooit durven denken? Everick zette een soort van radio aan en zachtjes deinde de jongen mee op de muziek. Wat vloog dat dingetje snel en geruisloos op die paddestoelenpoep! Stel je eens voor dat auto’s ook zo zouden rijden, dat zou gewoon fantastisch cool zijn. Hij stelde zich voor dat hij op de Autobahn was en knoerthard richting München zou rijden. In een uur was hij er en dat was wel even 400 kilometer. Geen vervuiling, geen herrie … Als dit allemaal waar was, dan zou hij er wel voor zorgen dat deze pulp ook op aarde bekend zou worden, wacht maar.

Het uitzicht was overweldigend. Op grote afstand was de grote blauwe planeet nog te zien en ja, ook van déze kant was die echt helemaal prachtig blauw. Tenminste op de plekken waar zee was. Verder was hij meer beige en wat groenig af en toe. Hij zag overal sterrenhopen die de weg verlichtten en Venus kwam eraan. Na een minuut of 20 was die alweer weg ook. Bruinig was hij, niks an vergeleken bij de aarde! Zou je nou Mars ook nog kunnen zien?, dacht Heinz en hij probeerde achterom te kijken. De maan zat ertussen, het lukte helaas niet. Vóór hem zag hij Mercurius al opdoemen en die was ook al zo saai. Een beetje beige, iets lichter dan Venus en inderdaad leek het er niet op dat het er heet was, dat moest hij Everick nageven. Kometen zag hij ook. Die hadden ook een baan, wist hij en dat leek nu te kloppen. Het waren er gelukkig maar een paar. Heinz moest er niet aan denken dat het er meer waren, want die dingen konden ook behoorlijk inslaan op een bewoonde planeet. Dan waren hele werelddelen in één klap verdwenen. Dat zou met Atlantis gebeurd zijn, had hij wel eens gelezen. De meeste mensen geloofden niet dat dat land, of zelfs werelddeel bestaan had, maar Heinz vond dat je beter openminded kon zijn. Je wist de waarheid immers niet, dus was het zaak om te onderzoeken en niet om gelijk alles te ontkennen. Hij keek nogmaals achterom en zag een klein puntje van Mars helemaal in de verte. De verdere planeten van ons zonnestelsel waren eerder minder goed dan beter te zien vanaf dit punt, vlakbij Mercurius. Die raasde nu al langs en binnen 10 minuten waren ze er voorbij. Ongelofelijk, wat ging dit supersnel! Hij voelde niets in zijn hoofd of waar dan ook van de snelheid en vond dat heel bijzonder. Hij richtte zijn blik eens op de pompen en zag dat ze nu niet veel deden. Toen ze opstegen, was dat anders geweest, herinnerde hij zich. Toen gingen ze enorm tekeer. Dus als er geen luchtdruk was, viel er ook niets te regelen blijkbaar. Hij zou het eens nazoeken thuis in zijn boeken en op het internet. Misschien wist iemand het wel. Wat hij ook ergens gelezen had, was dat Hitler ufo’s had. Hij vroeg Everick of die daar meer van wist, maar die was er niet zeker van of dat waar was. Hij dacht van wel, maar zij op de maan wisten ook niet alles. Wat hij wel wist, was dat er nooit iemand met een spaceshuttle op de maan geweest was. Dat was bedrog en hij had gehoord dat vooral Louis Armstrong daar ontzettend boos om was geweest en had gedreigd met een proces. Daarna was hij zelf bedreigd en durfde hij zijn mond niet meer open te doen. Met de raket van de jaren ’60 waren ze naar de Zuidpool gegaan, naar Antarctica en daar had hij de Amerikaanse vlag moeten planten. Mensen hadden later gezien dat er dingen niet klopten aan de maanfoto’s, zoals de schaduwen en de wind die er overduidelijk stond, maar die er op de maan niet was. Miljarden dollars kostten die missies steeds en die dienden als dekmantel voor het systeem met de ufo’s, dat er later kwam. En voor dat systeem moesten de mensen zo ontzettend veel belasting betalen. Daar gingen alle gelden naar toe en de winst van de onderneming, die overigens niet astronomisch was, ging regelrecht in de zakken van de elite. “Tijd om daar verandering in te brengen”, besloot Everick zijn betoog, “tijd dat de mensen weten wie hen regeren en waar het geld heen gaat. Daarom hebben we jou hierheen gehaald. We hebben een soort hologram van je hier gehaald. Daardoor lijkt het alsof je in een droom bent, maar eigenlijk ben je dat niet en daarom had je deze nachten zoveel slaap nodig. Bovendien herinner je je alles nog wanneer je wakker wordt. Dat heb je ook opgemerkt!”.

Dus dat was het. Dat zat erachter: de mensen die op de maan werkten, hadden er genoeg van dat alleen zij wisten hoe het systeem werkte en de hele verdere planeet niet. Mensen waren tegenwoordig zo overbelast dat ze helemaal niet meer in staat waren tot nadenken over het leven. Wilden ze geld bij de gemeente? Hier hadden ze het. Wilde de belasting nog meer dan anders? Huppa, daar ging het geld. Kreeg je minder rechten? Nou ja, dat was dan zo … Voor de gekste dingen werd belasting geheven en nog veel ook. Verkeersboetes waren torenhoog geworden en op school kon er niets meer georganiseerd worden voor de kinderen, omdat er geen geld was. Steeds meer mensen zakten erbij in, doordat ze het harde werken niet meer volhielden. Ja, vroeger moest je zes dagen per week werken, maar toen was de hele sfeer anders. Je had nog een familie en een vriendenkring en op het werk was het ook wel weer gezellig. Dat was tegenwoordig niet meer. De mensen telden de uren om weer zo snel mogelijk naar huis te gaan en dat was voor veel mensen ook nog weer een urenlange reis – twee keer per dag. Je kon niets anders meer doen dan werken, want als je thuiskwam, was het al donker en dan moest je nog koken en eten … Heinz had geluk dat zijn familie in de stad woonde en dat zijn vader thuis werkte. Dat hij een moeder had, die alleen bij tijden werkte en die verder het huishouden deed. Voor veel mensen was het leven een heel stuk zwaarder, dat had hij bij sommigen van zijn vrienden wel opgemerkt.

milky-way
Zoiets en dan zag hij daar de zon heel groot in verschijnen

Voor hem werd de zon steeds groter. Nee, hij was niet warm: de zon was koud! Het was ongelofelijk, maar dus waar. Er kwamen wel stralen vanaf, die hem enige pijn aan zijn ogen deden. Hij zag een supergroot stuk in de lucht dat ultraviolet van kleur was. Er werd gezegd dat mensen die kleur niet konden zien, maar Heinz meende het wel te zien: gewoon een beetje blauwig paars en dan licht, geen compacte kleur. Dat stuk lucht zoog een stuk van de zonnestralen op. “In zonlicht zitten alle kleuren, zoals je weet. Het violet wordt opgezogen door het ultraviolet in de lucht”, legde Everick uit. “Violet zuivert en dat doet zonlicht nu niet meer. Daardoor krijg je snel last van je huid als je lang in de zon ligt en door dit ultraviolet zijn er kleine gaten in de ozonlaag van de aarde gekomen. Niet door de industrie, hoewel die ook niet echt bevorderlijk voor het milieu is”. Heinz wist niet wat hij moest zeggen over zoveel bedrog. Dit vond hij zelfs erg, want als licht niet meer zuiverde, dan bleef je ziek als je ziek werd. Dan kon je niet meer beter worden. Hij schrok bij de gedachte: het was ook alweer waar, maar hierover had hij nog nooit iets gelezen. De mensen wisten dit blijkbaar niet. Het zou niet meer zolang duren totdat ze gingen landen, dacht hij en hij had gelijk. Everick reikte hem een pak aan en gebaarde dat hij dat moest aantrekken. Hij haalde een automatische piloot uit het dashboard van de ufo, vertrok richting het toilet en nam ook eenzelfde pak mee. Even later kwam hij terug met het pak aan. Heinz was er nog mee aan het worstelen en kreeg hulp van de volwassen man. “Hé, andere keren waren dingen die ik nodig had, er gelijk, maar dit pak moest ik echt aantrekken net als op aarde”, merkte hij verbaasd op. “Ja, je bent etherisch, zoals je in je slaap bent, maar ook een hologram en dus moet je dat pak toch beter aantrekken”, antwoordde hij. Op Heinz’ vraag hoe koud het eigenlijk was op de zon, zei hij: “Wel een beetje koud, maar dat merk je niet in dat pak, echt niet. Het beschermt fantastisch en je bent nog steeds etherisch, dus je voelt sowieso geen kou of warmte”.

O ja, dat was waar ook, bedacht Heinz. Hij voelde zich moe en draaierig. Hij had gehoopt dat hij zijn hele bezoek aan de zon in één stuk slaap kon doen, maar dat lukte beslist niet. De reis had bijna een uur geduurd, zag hij op zijn horloge dat hij was vergeten af te doen die avond en hij had echt even wat slaap nodig. Everick zag het en liet hem naar de aarde verdwijnen. “Tot later!”, riep hij de jongen na, die net als de voorgaande keren met een bonk op zijn bed neerviel. Klaarwakker, net als anders en met enorme dorst. Heinz haalde een glas water uit de badkamer en dronk dat in één teug leeg. Toen ging hij weer in bed liggen om te slapen. Hij viel gelijk in een diepe slaap … Over een paar uur zou hij te weten komen wat er nou allemaal gedaan werd aan ‘zaken’ op de zon. Hoeveel beter kon het leven zijn?

 

 

 

© Sophia Vassiliou – Coronaverhalen om de coronacrisis door te komen

 

Geef gerust een leuke reactie / Please feel free to give a nice reaction

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.