Iets over mijn leven

Iets over mijn leven

Terwijl ik bedacht dat dit stuk het vervolg moest worden van het vorige ‘De duivel en de hasj’, vond ik dat het dan ‘De duivel en de vrouw‘ moest heten. Als ik het me goed herinner, is er een nummer van Angelo Branduardi dat ook zo heet en dat doe ik er dan gezellig bij. Daar waar het vorige verhaal ging over hoe Costas en ik elkaar leerden kennen, gaat dit over hoe het leven verderging en ons niet meer wilde verbinden. Als je eerst het vorige verhaal wilt lezen, vind je dat hier. Ik heb de naam van dit artikel veranderd, omdat dat logischer is en gemakkelijker vindbaar tussen de andere stukken op mijn website.

Daar waar ons verhaal vrolijk en lief begon, eindigde het zo triest dat ik er 35 jaar niet meer over heb kunnen praten. Nooit heb ik een herinnering weggestopt in mijn geheugen, maar dit was te erg om te kunnen verwerken. Daarvoor had ik van mijn kindertijd moeten weten en aangezien ik dat niet wist, kreeg ik het niet verwerkt en kon ik er zelfs niet aan denken. Ik had het hele eiland Kreta mee weggestopt en dat is nogal wat, want Kreta is de helft van Nederland met een half miljoen inwoners. Een paar jaar later dwong een vriend me hem daar op te zoeken. Ik wilde niet, maar hij nam geen genoegen met mijn verhaal dat ik daar iets naars had meegemaakt en daar nooit meer heen wilde. Daar waar ik altijd over Kreta had gehoord dat de mensen er zo ontzéttend conservatief waren en moeilijk, vond ik er alleen maar lieve en zachtaardige mensen. En ze praatten zó schattig met dat accent van daar!

Bijzonder vriendelijk en behulpzaam en het allermooiste vond ik de oma’s boven in de bergdorpjes, die in hun deuropening kleedjes stonden te haken en allemaal Engels spraken. Ik ben vrij licht van kleur voor een Griekse en sommigen dachten dat we toeristen waren, met ons gehuurde brommertje en ik gierend van de lach en de schrik tegelijkertijd aan het stuur door de bergen. Hij wist hoe je op zo’n ding moest rijden, maar in Griekenland moest je er een rijbewijs voor hebben en dat had hij niet. Ik hoefde met mijn buitenlandse paspoort geen rijbewijs, maar had geen flauw idee hoe je zo’n scooter vooruit kreeg. Uiteindelijk lukte het dan en zo gingen we dan: hij schreeuwend “Druk op het gaspedaal man! Je moet de helling op, anders blijven we steken”. En ik: “Ja maar dat ding heeft toch een motor? Hoezo moet ik dan nog zoveel gas geven? En waar zit trouwens de rem?”. Vrouwenlogica. En daarna omlaag hè, met een noodgang, want anders kwam je de volgende helling omhoog niet meer op. Nooit heb ik meer op een scooter gereden, maar wat was dat eiland mooi. Genezen was ik niet van mijn angsten om Costas, maar in Griekenland leefde ik weer een beetje op.

Quatrel
Mijn eerste auto: een Quatrel

Het meest hilarische is misschien wel hoe ik heb leren autorijden. Zonder rechter hersenhelft ben je zo onhandig als de neten, maar daar was het gemakkelijk om je rijbewijs te halen en ik had het dan ook in één klap gehaald. Niet dat je dan kunt autorijden! In Griekenland moest je in die tijd 6 maanden lang een grote N van ‘nieuwe automobilist’ op je achterruit plakken met tape, maar ik schaamde me daarvoor en deed het niet. Ik had een stel vrienden die me net zolang aan de kop zeken dat ik een auto moest, tot ik ging sparen om er één te kopen in Nederland. Omdat ik studente was, mocht ik er één met Nederlandse kentekens. Dat was goedkoper en zo had ik dus een quatrel: een Renault 4 met de versnellingspook links, helemaal mooi voor mij als linkser. Hij reed en daar was ook alles mee gezegd, maar ik leerde het ding sneller optrekken dan menige Mercedes of Audi en zo had ik altijd enorme lol als ik optrok bij een stoplicht. Vooral als er in die Mercedes naast me een man zat. Die konden het niet zétten dat ik als vrouw met mijn quatrel én buitenlandse nummers sneller wegzoefde dan zij.

“Je rijdt als een man!”, zegt Costas altijd goedkeurend tegen me en dat klopt denk ik wel. Mijn vrienden leerden me de motorklep openen en er ook daadwerkelijk in kijken. Ik wist ieder onderdeel te zitten, de Griekse naam ervan en waar het voor was. Geen garage kon me een oor aannaaien en na een paar maanden durfde ik zelfs de gigantische afdaling van Panorama, de wijk bovenop de berg in Thessaloniki, af te rijden richting het Volvimeer. Het was een helling van 15% en als je die afreed, leek het net of je zo het meer inreed. “Je stuur moet het verlengde van je arm zijn”, galmde het nog jaren daarna in mijn oren, wanneer ik achter het stuur zat. Ja met zulke vrienden leer je wel rijden. Overal op de meest nauwe weggetjes en haarspeldbochten in de bergen, in nauwe steegjes die wel recht omhoog leken te gaan in de stad en op de snelweg. Nergens draaide ik mijn hand voor om. Ik denk niet dat ik dat nu nog allemaal zou durven na 25 jaar op de keurige brede straten van Nederland. Maar toen leek alles wel te kunnen.

In het begin dat ik in Thessaloniki woonde, ging ik af en toe even kijken bij het Hollandse huis. Het was vlakbij de universiteit en was eigendom van de sectie Nieuw-Griekse letteren van de universiteit van Groningen. Soms zaten er studenten van mijn oude studie in Amsterdam of anderen die ik uit Groningen kende, daar een tijdje te proberen beter Grieks te leren. Dan gingen we leuke woorden graven in allerlei woordenboeken die ze daar hadden of die we in de bibliotheken van de universiteit vonden. Mijn vrienden kwamen uit een klein stadje in de bergen rond Thessaloniki en daar bracht ik menig weekend door, proberend te helpen bij de tabaksproductie en allemaal bloemen, planten en beestjes ontdekkend. Ze plaagden me ermee, want ik moest van ieder bloemetje of kevertje dat ik vond, de naam weten, moest exact weten hoe je ieder gerecht moest koken en alles, alles, alles vroeg ik aan ze. Binnen een paar jaar had ik mijn hele achterstand op het gebied van mijn afkomst meer dan ingehaald en kon ik zelfs Griekse kleedjes op de hand borduren. Costas kijkt me verward aan, terwijl ik dit opschrijf: “Kun jij borduren???”. Ik: “Ja, ik heb er alleen niet zoveel geduld voor”. En appels poffen op de houtkachel, zelf chocopasta maken, tabaksbladeren aan een ketting rijgen en te drogen hangen, schildpadden vangen. Alleen wiskunde lukt me niet in het Grieks.

Zoveel kun je in een paar jaar tijd leren, als je een positieve omgeving hebt met mensen die je belangstelling voor letterlijk alles om je heen grappig vinden. Mijn pleegouders scholden me altijd alleen maar de huid vol dat ik niks kon, onhandig was en ook niets mocht proberen, want ik liet toch alles uit mijn handen vallen en kon niets. Ik heb letterlijk NIETS geleerd in de 15 jaar dat ik bij die gasten in huis heb moeten wonen en ben helemaal neurotisch geworden van de paniek, die ze me aanpraatten. Maar in Griekenland leerde ik hoe ouders wél horen te zijn en zo kon ik mijn eigen jongens wél goed opvoeden en alle liefde geven die ze nodig hadden. Goed, in Griekenland leerde ik dus een mens worden en kwam ik een beetje bij van alle ellende uit mijn jeugd. Ik heb ontzettende spijt dat ik na mijn afstuderen niet nog harder geprobeerd heb daar te blijven. Na mijn terugkeer naar Nederland kon ik niet meer terug en hier werd ik weer helemaal afgebroken. Met mijn zoontje was het genieten de eerste 5 jaar, totdat mijn vriendenkring in de plaats waar we woonden, uit elkaar viel doordat iedereen iets anders ging doen en een paar ruzie kregen.

Daarna kwam Wageningen, waar mijn zoon zwaar mishandeld werd op school, ik voor gek verklaard werd zonder enig bewijs of wat ook en toen trouwde ik ook nog met de verkeerde man, wat me totaal opbrak. Ik moest het hele gezin in mijn eentje trekken en daarbij ook nog werken. Mijn oudste zoon leed daar erg onder, maar ik kon niet anders, want de man waarmee ik getrouwd was, bleek een narcist van de hoogste orde. Hij deed niets, alleen maar schelden, kritiek leveren op alles, agressief schreeuwen en soms slaan en lui in bed liggen. Pas na 7 jaar konden we bij hem weg, waarop hij zijn tijd ging verdoen met mij zwart maken met een enórme hoop leugens. Ik kan nog altijd niet begrijpen hoe hij ooit geloof heeft kunnen krijgen, want je ziet op een afstand van 10 meter al dat hij geen knip voor de neus waard is. In Algerije kon hij dat nog een beetje verbergen, want hij had daar heel veel familie, vrienden en kennissen en een baan. Ik kon goed opschieten met een aantal van zijn nichten en tantes, dus zijn luiheid viel niet zo op. Hoeveel magie, kabbala en leugens hij ook gebruikt heeft, het is gewoon niet logisch dat hij zóveel steun kreeg en mijn zoon heeft kunnen inpikken. Zelfs met het hele kabbalaverhaal dat ik hier op mijn blog verteld heb, is het nóg onbegrijpelijk dat mijn hele bedrijf kapotging door zijn gekonkel met de school van mijn jongste, de gemeente en jeugdzorg. Dat ik geen vrienden meer heb, geen familie en geen rooie cent en dat ik niet meer kan genezen, hoe hard ik er ook aan werk. Het klopt gewoon niet, zoveel kwaad.

 

Het nummer van Branduardi heette eigenlijk De sultan van Babylon en de vrouw – Ο Σουλτάνος της Βαβυλώνας και η γυναίκα. Maar het is zo vrolijk dat ik het er toch bij doe. Hij brengt het samen met Lavrendis Machairitsas en het is een oergezellige boel daar in Italië. Zo muziek maken met elkaar is toch veel leuker dan zitten te knoeien met cijfertjesprut in je eentje op je zolderkamertje? Wees nou eerlijk.

 

 

 

 

© Sophia Vassiliou

 

Geef gerust een leuke reactie / Please feel free to give a nice reaction

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.