Reis naar de maan deel I

Reis naar de maan deel I

Dit is een literair verhaal en dus fictie.

Achttien jaar was Heinz en net geslaagd voor zijn vwo-examen. Hij genoot van de vrijheid die hij in de lente en zomer had, voordat hij aan zijn studie natuurkunde ging beginnen. Die middag zou hij met zijn vrienden de stad in gaan, maar omdat het zulk regenachtig weer was, hadden ze het plan laten varen. Heinz keek uit het raam naar buiten en droomde zo’n beetje weg, genietend van de tijd waarin hij bijna niets hoefde. Hij speurde de lucht af, maar waarnaar wist hij zelf eigenlijk ook niet. “Heinz!”, hoorde hij zwakjes op de achtergrond. “Heinzl, waarom ben je nog hier? Ben je je afspraak in de stad vergeten?”. Zijn moeder kwam bezorgd kijkend binnen. “Nee”, zei hij afwezig, “we hebben de afspraak afgezegd. D’r is niks an met zulk weer”.
“Gelijk hebben jullie”, antwoordde zijn moeder goedkeurend en ze liep alweer weg om de afwasmachine leeg te ruimen. Hij hoorde haar zachtjes neuriën in de keuken. Heinz keek opnieuw naar de lucht en priemde met zijn ogen, alsof hij probeerde de wolken weg te kijken. Opeens zag hij iets, een klein roodachtig lichtje. Hé, wat was dat? Leuk, iets om naar te kijken, dacht hij verheugd. Hij ging het lichtje volgen. Het danste op en neer in de lucht en het leek wel alsof het al dansend steeds dichterbij kwam.

Wat zou dat nou zijn?, dacht Heinz hardop. Hij keek vlug om zich heen om zich ervan te vergewissen dat niemand hem had gehoord. De woonkamer was leeg en het hele verdere huis ook. Zijn jongere broertje zat op school en zijn vader in zijn kantoorruimte te werken. Die was half onder het huis, ver van de woonkamer vandaan. Hij concentreerde zich weer op het oranjerode lichtje en zag dat het echt dichterbij kwam. Dat had hij niet verzonnen. Hij kon nu duidelijk zien waar het lichtje vandaan kwam: iets ronds wat in de lucht rondvloog met enorme snelheid. Wattefak, zei hij in zichzelf, dat is toch geen ufo hè. Kom op, geen rare dingen vandaag! Het was leuk om naar een lichtje in de lucht te kijken en af te vinken dat het geen satelliet was, want die zaten veel hoger in de lucht. Die kon je niet zien bij bewolkt weer. Het was ook geen vliegtuig of helel bewijs voor en geen enkele aanwijzing voor. Hij geloofde ook niet in graancirkels. Wie die maakten, wist hij niet, maar iemand die normaal in zijn of haar hoofd was, ging niet andermans graanvelden kapotmaken om een of andere onbegrijpelijke boodschap af te geven. Als je het nou over kolder had …

Of het nou een ufo was of niet, het lichtje met zijn grijzige omhulsel bleef de nog steeds naar de lucht turende Heinz naderen en het ding had wel degelijk de vorm van een vliegende schotel. Hoe groot zou hij zijn?, dacht de jongen. Hij schatte het ding ergens tussen de drie en vijf meter breed en twee tot drie meter hoog. Hij zag nu overal in het rond kleine lichtjes, alsof er binnenin de ruimte licht brandde. Dat leek hem ook wel weer logisch, want anders kon je zo’n ding toch niet besturen of in de lucht terugvinden als iemand het dingetje van afstand bestuurde. Het was een vederlicht object, dat bijna geruisloos vloog. Het danste meer dan dat het vloog eigenlijk en dat ging op gracieuze wijze. Toen het schoteltje zo dicht bij hem was dat het in zijn tuin leek te zweven, hoorde hij het heel zachtjes fluiten door de wind. Maar het werd niet meegenomen in de richting van de wind, dus het werd bestuurd. Breder dan 3,5 meter was het dingetje niet en het zal zo’n 2,5 meter hoog geweest zijn, schatte hij inmiddels.

Het schoteltje naderde nog een klein beetje totdat het voor Heinz’ raam hing. Hij schrok er een beetje van, want zijn moeder zou er zeker van schrikken als ze dat ding zag. Zijn vader zou het niet eens opmerken. Die zat altijd zo in een diepe concentratie te werken, dat Heinz er soms om moest glimlachen. Je kon een bom naast hem laten ontploffen, maar hij ging gewoon door met zijn werk. Zijn vader deed niets liever dan werken. Hij schreef wetenschappelijke boeken en soms zelfs lesboeken over techniek. Zoveel als hij van zijn werk hield, hield hij ook van zijn gezin. ‘s Avonds speelde hij graag een spelletje met zijn jongste kerel of hielp hij zijn oudste met zijn huiswerk voor school. Eén avond in de week kwam er een oppas en dan gingen hij en zijn vrouw uit. Ze hadden hun mobiel aan staan, maar niemand mocht weten waar ze waren: de vrijdagavond was alleen van hen. Zijn ouders waren nog even verliefd op elkaar als toen ze elkaar net hadden leren kennen en dat wilden ze graag zo houden. Heinz hoopte dat hij ook een vrouw zou vinden met wie hij zo’n droomhuwelijk zou kunnen hebben.

Maar op het moment speelde er zich een droom vlak voor zijn ogen af. Hij dacht er geen moment aan om het ufootje te filmen, zo verbaasd was hij. Het ding bleef even hangen voor het raam, knipperde een paar keer met zijn lichten en toen zoefde het knoerthard weer weg. Heinz was slaperig geworden door het intense kijken en viel gelijk toen het ding weg was, in een diepe slaap. Hij droomde dat hij de ufo kon volgen, dat hij erachteraan vloog, ver de hemel in. De vliegende schotel racete hoger en hoger door de wolken heen, kwam erboven weer uit, waar de lucht weer prachtig blauw was. Nee, wacht eens: de lucht was niet dezelfde kleur blauw als die normaliter was, maar wat lichter en iets groeniger. Aquamarijn flitste door zijn hoofd, die kleur heette aquamarijn. Zeegroen. Wat was dat prachtig! Hij wreef zich in zijn droom eens in zijn ogen om te zien of hij dit allemaal echt zag, maar het ging niet weg. Nou ja, hij zou later wel uitzoeken of het echt was of niet. Eerst maar eens het avontuur in.

fullmoon
Heinz naderde de maan zo dicht dat hij hem bijna kon aanraken …

Het vliegende scheepje was al een stuk verderop en Heinz haastte zich ernaar toe. Dat ging gemakkelijk daar in die droomwereld! Was dat maar altijd zo, dat zou hem wel wat lijken. Heinz was als kind pijlsnel geweest, maar nu niet meer. Het kwam vast doordat hij hele dagen stil zat op school en daarna aan zijn huiswerk. Maar hier was hij nog sneller dan hij als kind was geweest en dat was genieten. Het scheepje reisde verder en verder van de aarde vandaan en tot zijn verbazing zag Heinz de maan steeds groter worden. Die kwam dus dichterbij of beter gezegd: hij kwam dichterbij de maan. Nu zou hij te weten komen wat er op de maan te doen was. Wow, interessant! Dat wilde hij wel meemaken, dan kon hij dat mooi aan zijn vrienden vertellen. Nee, jullie zitten er helemaal naast! De maan is niet een satelliet van de aarde, maar … eh ja wat wás de maan eigenlijk? Daar waren de wetenschappers nog lang niet uit! Iedereen dacht iets en iedereen stak de draak met mensen die iets anders dachten. Maar hij, Heinz, zou het vandaag waarschijnlijk nog weten. Daar zag het tenminste wel naar uit als het zo doorging.

Hij zag de maankraters nu duidelijk. Brrr …. dat ding zag er niet gezellig uit. Het bestond uit steen of iets wat op steen leek. Rotsen zouden het wel zijn, dacht Heinz. Een klein laagje lichtgroene begroeiing leek er af en toe te zijn, maar het was moeilijk te zien of dat correct was. Meer dan wat mos was het niet en verder had de maan geen fijne uitstraling. Hij voelde koud en kil aan, onherbergzaam en hard. Het licht dat er ‘s nachts van afstraalde, zag hij van zo dichtbij niet meer. Er was niks aan eigenlijk! Hij had geen last van zuurstoftekort zo in zijn droom, viel hem opeens op. Dat was wel handig! De ufo vloog regelrecht naar de achterkant van de maan. Wat spannend! Die kant van de maan kon je niet zien vanuit de aarde. Zou er een stel stiekemerds zijn, die daar op die zijde van de maan iets uitspookten?, dacht Heinz grijnzend. De grijns was op zijn gezicht te zien terwijl hij sliep. Zijn moeder was de kamer zachtjes ingelopen en vond haar slapende zoon daar in de grote fauteuil van zijn vader. Ze glimlachte zachtjes toen ze hem zag grijnzen en ging de keuken weer in. Heinz dacht al dromend aan de achterkant van de maan en was helemaal opgewonden over wat hij daar zou vinden. Het duurde nog even en dan zou hij het te zien krijgen. Zijn maag draaide om van de spanning en in zijn hoofd hoorde hij het prachtige lied van Pink Floyd over de maan The great gig in the sky

 

 

Hij luisterde ernaar en opeens bevond hij zich helemaal alleen daar in dat machtige, grote, inmiddels niet meer aquamarijn maar meer inktzwart gekleurde universum. Hij kon de aarde zien en die was inderdaad blauw, zoals iedereen die haar vanuit de ruimte bezien of gefotografeerd had, altijd meldde. De mensen hadden toch wel geluk, bedacht hij zich, om op zo’n prachtplaneet te wonen. Jammer dat zoveel mensen er niet zuiniger mee omgingen. Hij zou daar vanaf nu nog meer moeite voor doen, beloofde hij zichzelf. Langzaam werd hij terug naar de aarde getrokken en viel hij in een steeds minder diepe slaap, totdat hij opeens nogal onzacht weer op zijn vaders fauteuil neerviel en klaarwakker was. “Asjemenou”, hoorde hij zichzelf hardop zeggen. Hij schrok ervan en stond gauw op om een glas water uit de keuken te halen. Dat had hij wel nodig na zo’n droom. Hij nam zich voor om die nacht te proberen weer naar de maan te reizen. Je wist nooit of het hem zou lukken. Het zou gaaf zijn als hij zou kunnen ontdekken wat daar nou toch was, daar achterop die maan! Hij probeerde zich erop te concentreren om het zo te zien, zonder dat hij in slaap was, maar dat liep niet zo gesmeerd. Hij moest geduld hebben …

Feuilleton

 

 

© Sophia Vassiliou – Uit de reeks Coronaverhalen om de coronacrisis door te komen

 

Geef gerust een leuke reactie / Please feel free to give a nice reaction

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.