De duivel en de hasj

De duivel en de hasj

Dat hasj slecht voor je is, weet iedereen eigenlijk wel, ook al wordt het tegenwoordig zogenaamd medicinaal gebruikt. Ja, het verdooft wel lekker, dat kan ik niet ontkennen. Als je veel pijn hebt, kan hasj of wiet die wel eens wat verlichten af en toe. Maar daarmee is het spul niet ineens gezond! Het is en blijft een verdovend middel en dus een drug. In Griekenland was en is hasj – en wiet – streng verboden, maar daardoor had het zo’n 30 jaar geleden wel een enorme aantrekkingskracht op de verbeelding van veel jongeren daar. Zo enorm dat ik in december 1985, toen ik in Amsterdam studeerde, een drietal verkleumde Griekse jongens uit Kreta tegenkwam.

 

Drie Griekse jongens en een pot hasj

Ik had toen in totaal misschien net 10 Grieken in mijn leven gezien en in Amsterdam waren er niet veel. Dat was dus een belevenis en ik sprak ze volgens goeie Griekse gewoonte aan. Ze stonden op een brug verbaasd naar de eendjes in de gracht te kijken. “In Griekenland hadden die niet lang geleefd” grapte de oudste van hen, een prachtige lange blonde jongeman met groene ogen. “Die waren binnen de kortste keren na een paar kogels op ons bord beland”. Je had het al geraden waarschijnlijk: dat was Costas, de man die bij me hoort. We waren allebei op slag verliefd en hij wilde onmiddellijk bloemen voor me kopen. Ik was echter zo van de kook dat ik dat, niet gewend aan affectie, niet durfde toe te laten. Ik liep met de jongens mee naar hun ‘huis’, een van ellende half in elkaar gezakt oud zolderkamertje, een paar straten verderop bij mij in de buurt.

Het was schrikken om te zien hoe ze op een piepklein, pimpelpaars geverfd kamertje bivakkeerden met nog net een klein wasbakje en een knalroze toilet. Geen verwarming of niets en het was koud, zeker voor hen. Op Kreta wordt het niet echt winter en de jongens waren helemaal ziek van de kou. Gauw nam ik ze mee naar mijn stek om te douchen, te eten en op te warmen. Ze zeiden dat ze een soortement van poging hadden gewaagd om in het vrije Holland een portie hasj te kopen en weer te verkopen ook, om snel wat geld te verdienen. Het was niet helemaal gelukt en nu zaten ze zieligjes op dat kamertje te beraadslagen hoe nu verder. Ik moest wel een beetje lachen om hun naïviteit. Ze dachten gewoon dat iedereen in Nederland maar vrij hasj kon kopen, roken en verkopen en ik legde ze dus maar uit dat dat toch niet helemaal het geval was. Je mocht een paar gram op zak hebben voor eigen gebruik, maar om te mogen dealen was een speciale vergunning nodig, die je niet maar zo kreeg.

De waarheid kreeg ik nu pas te horen, 34 jaar later en dat is het probleem met Costas: hij vertelt niets, legt niets uit en mijn intuïtie deed het al die jaren niet. Ik kon niet zelf invullen wat hij allemaal bedoelde, maar niet zei. Zo zat het in elkaar met die hasj: één dame en één Miep met te veel geld, beiden uit Londen, gingen op vakantie naar het zonovergoten Chersónissos op Kreta. Het is een vreselijk commercieel geheel daar dat toeristen kennelijk leuk vinden, want het zit elk jaar hudje-mudje met buitenlandse toeristen. De twee maakten er kennis met een paar Griekse jongens en stiekum liet één van hen – ik noem haar Miep! – in een vrolijke bui vanuit Amsterdam even 80 kilo hasj overkomen naar Kreta. Kosten f200.000. Daar kon je in die tijd een leuke villa van kopen. Ze werd betrapt door de politie en gaf zonder blikken of blozen haar eigen vriendin en een aantal Griekse jongeren de schuld. Politie trapte er niet in, waarop Miep hen omkocht. Ook dat omkopen ging zeer spontaan: ze liet hun een bom geld achter op het bureau, waardoor het net leek alsof de agenten corrupt waren en vertrok doodleuk terug naar huis in Londen. Wel nádat ze 10 personen aansprakelijk had gesteld voor haar mislukte handel, f20.000 per persoon van hen eisend. Costas wilde ze helpen en toog met een paar van hen richting Amsterdam. Doel was de dealers opzoeken om bewijs te verkrijgen dat de deal echt door die Miep was gedaan en niet door de 10 willekeurige personen die een vette claim aan hun broek hadden, zonder er iets mee te maken te hebben gehad. Geloof ik, want ook nu legt hij weer niets duidelijk uit. Ze kregen Miep het gevang niet in, maar die durfde in ieder geval niet nogmaals zo’n stunt uit te halen. Plus ze was twee ton lichter. De 10 personen werden ook verlost van hun onterechte claim. Costas en ik verloren elkaar op de meest vreselijke manier.

Maar ik wist dat alles niet en dacht dat de jongens zichzelf in de problemen hadden gebracht. Op dat kamertje was het slecht toeven en een paar dagen later logeerden de heren bij mij. Het was oergezellig en ze bleken een ontzettend grappig taaltje te spreken, dat ze argot noemden. Ze haalden lettergrepen uit woorden en plakten die aan het eind van een zin die ze zeiden en dat met een Kretenzisch accent. Precies zo’n straatdialect is er ook in het Frans, hoera! Het was duidelijk dat ik hier geen Grieks ging leren, dat was me al snel duidelijk. Ik verstond na een paar dagen oefenen af en toe een woord en sowieso was ik nog niet zover dat ik Grieks kon spreken. Wat ik wél leerde, was kaarten in het Grieks en ik deed een redelijk vocabulaire aan schuttingwoorden op. Costas hielp me de teksten van een paar elpees met muziek die ik niet goed verstond, te ontcijferen en vertelde zoveel Griekse moppen, dat ik er een boek van had kunnen maken. Koken kon niemand van ons, dus we aten de prut die ik in de jaren dat ik nog op school zat en al op kamers woonde, had leren brouwen. De jongens vonden het gewéldig dat ik in Nederland Griekse letteren studeerde, op de universiteit nog wel, in Amsterdam.

Een paar weken later gingen ze onverrichterzake terug naar Kreta. Ik begreep niet veel van wat ze nou allemaal aan het proberen waren en ze wilden ook niet dat ik me er tegenaan zou bemoeien, maar Costas drukte me op het hart dat hij binnen een week terug zou komen met andere vrienden. De week werd een maand en ik maakte me wilde zorgen, maar uiteindelijk kwam hij terug; ditmaal met maar liefst vier andere jongens. Ze hadden ook geld bij zich om een paar weken van te leven en een plan, want ze rekenden erop dat ze de hasjzaak nu wel zouden kunnen oplossen. Mijn etage werd een enorme puinzooi, want deze jongens waren een stuk minder beleefd en rustig dan die eerste. Ze weigerden hun schoenen uit te doen in huis, wat me ruzie met de benedenburen opleverde, het geld was binnen twee weken op en ze bleven maar iedere avond hasj roken. Costas deed er niet aan mee, maar koos wel steeds de kant van de jongens, als ik tegen ze zei dat ik in onderhuur zat en op straat zou komen te staan, als ze niet rustiger deden.

Hoe het precies gebeurde, weet ik niet meer, maar Costas zakte weg in een depressie toen het allemaal niet lukte met de hasj. Hij maakte zich ergens enorme zorgen om, maar wilde niet vertellen waarover. Ook zei hij steeds dat ik het maar makkelijk had met twee rijke ouders en geen zorgen. Ik probeerde hem uit te leggen dat die mensen mijn ouders niet waren, dat ze verschrikkelijk waren en ik op mijn 16e al uit huis had gemoeten, maar het kwam niet binnen. Zij in Griekenland hadden het maar arm en waren zielig, terwijl ik een mooi leven had volgens hem én zijn vrienden die het ook niet begrepen. Later kwam ik erachter dat alle Griekse ouders van hun kinderen houden en ongelofelijk lief voor ze zijn. Ze hebben gigantische kosten voor bijlessen, sport en kleding en daarvoor sparen ze zelf het eten uit hun mond. Maar ik was nog nooit in mijn land geweest en wist dat allemaal niet. Liefde was míj onbekend. Míjn ‘ouders’ waren gemeen en hadden een hekel aan mij. Bovendien hadden zíj geld, maar ik niet. Het kwam niet binnen bij Costas en zijn vrienden; ze konden zich er eenvoudigweg geen voorstelling van maken dat je rijke ouders had en dat je leven toch een hel was.

Op een nacht kregen we er ruzie over, want ik had zoveel verdriet dat ik vaak spontane huilbuien over mijn kindertijd had. Ik wist dan niet waarom ik moest huilen, maar kon er niet mee stoppen. Tevens probeerde ik de jongens te helpen dat hasjprobleem op te lossen. Ik kende iemand die heel veel mensen kende en probeerde via hem nog een paar stevige jongens te regelen, die zouden willen helpen om de rest van de drugs toch nog op te halen, maar Costas zat op slot en stond voor geen enkele oplossing open. Hij wilde ook niet naar de politie om de zaak uit te leggen en gewoon naar huis om er een punt achter te zetten was ook al geen optie. Een Nederlandse kennis van één van de jongens wist nog een oplossing: een paar maanden werken op het olieplatform in de Noordzee. Het was hard werk, maar scheen goed te verdienen en dan hadden ze in ieder geval geen verlies. Maar niemand wilde meer wat, ook niet toen ik aanbood om ze daar op te zoeken en ze te steunen bij het werk. Costas maakte onze relatie uit, vlak nadat hij me ten huwelijk gevraagd had.

Binnen een week verkrachtte één van de andere jongens mij. Ik kon ze niet op straat zetten, er was niets met ze te beginnen, ik had inmiddels ook dure telefoonrekeningen door de telefoontjes met hun ouders die ze nu op mijn kosten pleegden en wist niet meer wat ik moest doen. Zij waren achter in de twintig en ik was 19. Ik kon eenvoudigweg niet tegen de situatie op en die “geweldige rijke ouders” lieten me ijskoud stikken. Tot overmaat van ramp was ik ook nog zwanger en omdat zowel mijn verkrachter als Costas me uithoonden en me keihard lieten vallen, moest ik het kindje laten weghalen, wat ik heel erg vond. Costas sneerde glashard in mijn gezicht dat ik niets voor hem betekende en dat die smeerlap zijn allerbeste vriend was. Dat ík nota bene hun vriendschap verpest zou hebben. Uiteraard was toen mijn liefde voor Costas zover over, dat die nooit meer terug zou komen. Ik waardeer zijn hulp van de afgelopen jaren en neem maar aan dat hij me inderdaad later gezocht heeft zoals hij beweert, om het goed te maken, maar mijn liefde is zo diep begraven, dat die niet meer terugkomt. Dat is een probleem, geloof ik, want we horen bij elkaar. Maar wat hij me heeft aangedaan, is gewoon te erg om ooit te kunnen vergeven. En ook nu moet ik ieder woord uit hem trékken en weigert hij ten enen malen mij mijn adoptiedossier, waarvan hij beweert dat hij het in huis heeft, te sturen. Zonder dat dat dossier in de openbaarheid komt, krijg ik mijn kinderen, mijn eer en mijn leven niet terug en hij verrekt het ook al om het zelf aan de media te laten zien. Hoe moet ik dan nog van hem houden, als hij zoiets eenvoudigs nog niet eens voor me over heeft en als hij ook mijn vader schijnt tegen te houden om hier te komen?? Ik moet maar allemaal geloven wat hij zegt.

Costas weigerde te geloven dat ik verkracht was, hoewel hij het met eigen ogen had gezien. Hij liet mij met de verkrachter en nog een andere jongen zitten en vertrok om verder bij een medestudent van me te logeren met zijn andere twee vrienden. Ik had twee weken nodig om van de verkrachter af te komen, maar ondertussen hadden de heren zelf al “hulp” geregeld. Op een dag stond er een boom van een eveneens Griekse kerel in mijn appartement met een Amerikaans accent: hij was in Canada opgegroeid, had een revolver en een Nederlandse vriendin die zich ook opdrong. Hij zou de zaak wel eventjes oplossen, pochte hij, maar hem lukte het ook niet. Ik vond het welletjes, wilde geen wapens in mijn huis en ging naar de politie om te vertellen wat er gebeurd was. Toen ik even later met twee agenten thuiskwam, was de revolver weg en de agenten wilden plotseling niet meer helpen. Ik vroeg ze de jongens met rust te laten, want deze hele zaak was hun schuld niet. Er zaten twee Engelse toeristes achter die ik verder niet kende. Pas ergens in juni kreeg ik de jongens eindelijk mijn huis uit en nooit heb ik ze weergezien. Costas beloofde me de telefoonkosten te vergoeden, maar deed dat niet. Ik schreef een brief naar zijn adres in Griekenland, dat ik in het telefoonboek moest opzoeken, maar ook daarop ontving ik geen antwoord. Ik zat een halfjaar zonder telefoon en moest hard werken om de rekeningen van een paar duizend gulden te betalen. En werken ging dus niet, omdat ik ontzettend onhandig en zenuwachtig was door de faalangst uit mijn zo fantastische jeugd met de rijke ouders. Iedere week had ik zo ongeveer weer een nieuw baantje en het is een wonder hoe ik het uiteindelijk voor elkaar gekregen heb om het geld af te betalen.

 

De rest van het verhaal

Nu een paar maanden geleden hoorde ik pas de rest van het verhaal. Het is wat Costas nu vertelt; of het waar is, weet ik niet. Costas was teruggegaan naar Kreta, had ongenadig op zijn lazer gekregen van zijn moeder over hoe hij mij behandeld had en probeerde me op te zoeken om me terug te betalen en het goed te maken met me. Maar ik was mijn huis uitgezet, had daarna een kamer gevonden waar ik alweer belaagd werd door een vent die me probeerde te verkrachten en in september 1986 zat ik in een anti-kraakhuisje in de Staatsliedenbuurt, nog steeds zonder telefoon. Costas had mijn hoogleraar leren kennen en zijn vader die ook leraar Grieks was, belde hem op om mijn nieuwe adres te vragen. Maar de medestudent waar Costas gelogeerd had, had verteld wat er allemaal voorgevallen was en toen wilde niemand van mijn studie hem of zijn familie nog te woord staan. Ik was zo erg getraumatiseerd, dat ik Costas, zijn vrienden en het hele eiland Kreta erbij in een diep gat binnenin me stopte. Ik stopte met mijn studie, ging naar Schoevers om directiesecretaresse te worden en zat de helft van de tijd al in Thessaloniki, waar ik daarna ging wonen.

Costas’ moeder kreeg een hartaanval en daarna hijzelf ook, allemaal die zomer. Hij stuurde nog een brief naar mijn oude adres, maar de nieuwe bewoners gooiden hem weg. Ik ging af en toe nog wel op bezoek bij mijn oude bovenbuurvrouw, een aardige oude vrouw vol Amsterdamse humor. Die buren hadden haar die brief gewoon kunnen geven, maar nee. Jaren later bleek een meisje dat Costas via-via kende in mijn studiejaar te zitten. Hij vroeg haar een bericht van hem aan me te geven, maar ze weigerde omdat ik inmiddels getrouwd was. Wat zij niet wist, was dat ik onder dwang getrouwd was en probeerde te scheiden. Als je met incest opgegroeid bent, heb je immers je hele leven verkrachters en zich opdringende kerels achter je aan. Ook toen ik zangeres was, hoorde Costas iets over een hele goeie zangeres uit Holland in Thessaloniki. Hij kon zich echter niet voorstellen dat daar in die hele stad van anderhalf miljoen mensen maar één zangeres zou zijn die in Nederland was opgegroeid en zocht me niet op. Het was echter toch zo: ik was inderdaad de enige en omdat ik vaak Amerikaanse nummers zong, kende men mij wel in het kringetje van het nachtleven. Weer een gemiste kans. Ik weet ook niet of ik Costas weer had durven zien na alles wat er gebeurd was. Hij was kennelijk kapitein op een cruiseschip, wat hij me ook niet verteld had toen in Amsterdam.

 

En de clou …

Eén van die Engelse vrouwen deed aan kabbala, had dus dure connecties en zij was het brein achter de drugsdeal. De kabbalisten dat is die club van dure lobbyisten en andere corrupte mafketels uit politiek en bedrijfsleven, die met maffiapraktijken én mislukte wiskunde de wereld hun kant op sturen. Van die zogenaamde ‘vriend’ van Costas die me later zou verkrachten, hoorde zij álles over mij. Mijn naam, mijn adres, mijn relatie met Costas, alles. Die ‘vriend’ had een relatie met de andere Engelse vrouw. Eén van de andere jongens was een collega van Costas en een aardige jongen. Zo had hij ervan gehoord. Binnen een paar weken nadat ze over míj gehoord had, had madam opeens een baan bij het Engelse Commonwealth, zo’n dure NGO die samenwerkt met … jawel de ISS die mij zo nodig kapot moet hebben en mijn hele leven al achter mij aanjaagt. De Engelse madam kende als kabbalist het verhaal over het meisje van de ster. Verder zal ze de kabbalistjes van de ISS wel gekend hebben. De ISS hoefde maar te zeggen dat ík dat meisje was en het plaatje was compleet. Alles ging fout toen die Engelse muts de ISS tegenkwam en het stoken in mijn leven opnieuw begon. En Costas hield zijn mond, zodat ik me nergens tegen kon beschermen.

Madam ging de ISS beïnvloeden met leugens over mij en Costas, haalde ons uit elkaar door verwarring en ruzie te zaaien in ons midden en daardoor ging alles kapot, toen in 1986. Dát is kabbala dus, nu weet je het! Het mens vertelde de verkrachter doodleuk dat kinderen die in Europa geadopteerd worden, altijd rijke ouders krijgen en een goed leven hebben. Met andere woorden: Sophia stelt zich aan. Ja, hártstikke tof joh: bij twee gestoorde pedoseksfanaten met een machtssyndroom opgroeien, hoezee! Echt fantastisch, mensen. Ik doe mijn jeugd leuk nog een keertje over. Alleen de haat die ze voor me hadden, was al zat om helemaal kapot te gaan. Ik was doodsbang bij die lui in dat grote huis en op mijn 16e trapten ze me het huis uit, waarbij ze nog éven een psycholoog omkochten om op te schrijven dat ik maar liefst schizofreen zou zijn. Met die valse verklaring word ik mijn leven lang geterroriseerd en is mijn eigen gezin ook uiteengerukt. Leuk, adoptiekind zijn! Na 54 jaar komen er nog steeds iedere dag nieuwe trauma’s naar boven uit mijn geheugen.

 

Uiteraard hoort hier een echt levenslied bij over hasj: Οι μάγκες δεν υπάρχουν πια (I mangkes den yparchoun pja – stoere kerels zijn niet meer). In dit nummer wordt hasj ‘de dood’ genoemd (o Charos), past wel goed bij dit artikel. Zanger is Nikos Papázoglou (R.I.P.), muziek is van Nikos Xydakis, tekst van Manolis Rasoulis en het dateert van 1979.

 

 

Tekst:

Οι μάγκες δεν υπάρχουν πια
τους πάτησε το τρένο,
με μάγκικο σαλπάρανε
με ναργιλέ σβησμένο.

Μεγάλωσε ο μπαγλαμάς
κι έγινε σαν βαπόρι,
παλιοί καημοί στ αμπάρι του
στο πουθενά η πλώρη.

Σε λαϊκή στεκότανε
ο Χάρος και πουλιότανε,
και μια γριά, καλή γριά
του αγοράζει δυο κιλά.

Οι μάγκες δεν υπάρχουν πια …

Met dank aan Greeklyrics.

 

 

© Sophia Vassiliou

 

Dit bericht heeft 3 reacties.

  1. John

    What goes around comes around

Geef gerust een leuke reactie / Please feel free to give a nice reaction

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.