De waarheid en de filosofie daaromtrent

Al vrij lang fulmineer ik tegen het al te subjectief bezien van de waarheid. In onze tijd is er zoveel kennis beschikbaar, dat studenten een heel kleine specialisatie bestuderen van een onderwerp. Er is geen tijd meer om wetenschappelijk te leren denken, want al die kennis waarvan we veronderstellen dat die er al is, moet eerst bestudeerd worden en uit het hoofd geleerd, zo vindt men in het onderwijs. Het jezelf een visie verschaffen, een gedegen mening vormen of de waarheid door al die bomen in dat grote bos onderscheiden is geen gemakkelijke taak op deze manier.

Omdat we daarbij ook nog heel openminded moeten zijn, aangezien we zoveel hoofden, zoveel meningen hebben en ál die meningen verplicht gerespecteerd dienen te worden, zijn we gaan geloven dat er jouw waarheid en mijn waarheid is. Daarmee zijn we feitelijk weer terug bij af, net als in de oudheid, toen men alles nog moest uitvissen hoe het werkte. Daarbij discussiëren we nauwelijks meer, waardoor iedereen op z’n eigen eilandje iets zit te vinden van de wereld. Een gedégen mening kunnen we ons nog moeilijk vormen, maar we moeten er wel één hebben en dus kiezen we er maar hap-snap één.

Op ons gevoel, want veel mensen in onze tijd vinden dat je ‘met je hart moet denken’. Dus niet logisch en gestructureerd, maar gebaseerd op je rechter hersenhelft, die ideeën genereert en snel werkt. Ja, snel gáát het, maar je ideeën worden niet getest en ook niet in praktijk gebracht als je je logische denken uitschakelt. Mensen gaan op deze manier denken, omdat de maatschappij veel van ze vergt en ze graag willen onthaasten.

Er wordt ontzettend veel flexibiliteit van mensen gevraagd tegenwoordig. Voor je werk moet je meermalen per jaar verplichte bijscholingscursussen volgen, je hebt veel uitgaven aan allerlei zaken die je nodig hebt om het leven bij te benen en in je relatie moet je ook steeds meer investeren om die goed te houden. Gelukkig zijn is het woord van deze tijd en dat is iets heel moois, maar niet zo gemakkelijk te realiseren als je constant zo onder druk staat.

Je bent gezond als je dat allemaal volhoudt. Zo niet, dan is er een heel scala aan persoonlijkheidsstoornissen, waarvan je er dan één opgeplakt krijgt. Bij ieder van deze tientallen stoornissen hoort een pil en een houtje-touwtje manier om ermee om te gaan en dat is dat. Onze psyche is de artsen van tegenwoordig volledig duidelijk en helemaal in kaart gebracht door de denkers van vorige eeuwen, die daar een heel ander beeld bij hadden: ze wilden de mensen genezen, niet volproppen met pillen en een riedeltje van dingen waar ze aan moeten denken om mee te kunnen in de mallemolen van het leven. Toch is het zo geworden.

Geschiedenis van de filosofie

Als je filosoof bent (of iets in die richting), zul je mij nu waarschijnlijk echt ont-zet-tend kort door de bocht vinden. Ik vind nu al, voordat ik dit geschreven heb, dat je daarin gelijk hebt. Ik vind het desondanks belangrijk om een klein en ja, kort-door-de-bocht overzicht te geven van hoe we de Waarheid zo’n beetje in kaart gebracht hebben of dat in ieder geval denken. En hoe we op het idee gekomen zijn om te denken in feiten en meningen. Genuanceerd denken zo je wilt. De waarheid scheiden van subjectieve oordelen en meer van dat soort dingen.

Aristoteles

Eigenlijk was de waarheid over het bestaan er in de oudheid al. De Griekse filosoof Aristoteles beschreef zoveel mogelijk de waarheid. Liever dan allerlei gekunstelde theorieën. Hij vond dat gelukkig zijn lag in een paar dingen: het bestuderen van de filosofie, het maken van verstandige keuzes in het leven – vaak door het kiezen van de gulden middenweg- en gewoon genieten van het leven. Straks kom ik op hem terug.

De denkers na hem gingen weer over van alles twijfelen en verder zoeken naar hoe het nou toch allemaal zat. In de middeleeuwen was er niet zoveel ruimte om te denken over het leven. Mensen leefden meer op hun gevoel, want de keizers keurden lang niet alle gedachtegangen goed. Eigenlijk alleen die dewelke zijzelf aanhingen. Maar dat duurde niet voor altijd en zo ontstond de Renaissance in de 15e eeuw. De intellectuelen zochten de wetenschap uit de oudheid weer op, daar waar ze gebleven waren en borduurden erop voort.

Descartes

De eerste die een nieuwe theorie klaar had, was de Fransman René Descartes: cogito, ergo sum, zei hij: ik denk, dus ik besta. Zo diep was de onzekerheid over de waarheid van het hele bestaan, dat mensen er niet eens meer zeker van waren of we nou wel bestonden met ons allen of dat we het ons maar inbeeldden. Hij zette het logisch denken in door de hele waarheid over letterlijk álles los te schroeven.

Hij ontkende alles wat Aristoteles had ontdekt over wat waar is en wat niet. Aristoteles had bijvoorbeeld ook zo zijn ideeën over wat ieder ding is dat je kunt ervaren: namelijk een combinatie van materie, van vorm en die is niet afzonderlijk van de materie. Hij vond ook dat alles met het verstand te begrijpen was en dat het algemene kenmerk van alle dingen het zijn was. Ze bestonden …

Verder had hij gevonden dat de ziel niet dualistisch is, maar één geheel. Hij hoort bij het lichaam, ook al is hij onstoffelijk. De mens is volgens deze filosoof een sociaal wezen; er is niet één ideale staatsvorm, want dat hangt af van de omstandigheden; en de slimste persoon barst van de kennis, maar blijft gewóón (zichzelf).

Levinas

Nou, dat ging allemaal aan de kant vanaf Descartes en de discussie begon van voren af aan. De Litouwse filosoof Emmanuel Levinas ging verder met de ideeën van Descartes en stelde het volgende (in mijn woorden): mensen zitten in een eigen wereldje – hun eigen bewustzijn – dat soms wordt doorbroken door de Ander. Dat is iets wat buiten je greep valt: de tijd, een andere mens in nood, je partner of je kind.

Solipsisme

Deze theorie, maar dan zonder die Ander, wordt solipsisme genoemd. Later gingen de fenomenologie en het idealisme daarop door. Solipsisme is het ontkennen dat er een waarheid bestaat: er is een bewustzijn dat iets ervaart en dat is het bewustzijn van de waarnemer. Tune je daarop in, dan is er contact. Bijvoorbeeld: drie mensen zien een karaf op een tafel staan. Ze zijn het eens over hoe het ding eruit ziet, hoe het heet en waar het toe dient. Dan zóú het kunnen dat het ding er heel misschien eventueel echt zou kunnen zijn. Dat is wat we tegenwoordig ‘mijn waarheid, jouw waarheid’ noemen. Ieder op z’n eilandje, helemaal autistisch.

Solipsisten geloven met andere woorden dat het enige dat bestaat, datgene is wat jouw geest waarneemt. De filosoof Edmund Husserl vond het gewoon ondenkbaar dat iets los van een bewustzijn zou kunnen bestaan. Ik keek vroeger met mijn kinderen naar een film van Peter Pan en daarin werd dit gezegd over zijn wereld: als jullie mensen niet meer aan ons denken, houden we op te bestaan. Dat is solipsisme en fenomenologie.

Structuralisme

We zijn door de geschiedenis naar de 19e eeuw gegaan en gaan nu de 20e eeuw binnen. Ik ga naar de taalkunde, want daartoe strekte de filosofie zich ook uit en daar weet ik meer over. De Zwitserse taalkundige Ferdinand de Saussure was de eerste die probeerde om ondanks de heksenketel aan onzekerheden toch de waarheid weer terug te vinden. Hij deed dat op het gebied van taal en wel door de vraag of de dingen nou wel of niet bestaan, gewoon te beantwoorden met JA.

Ieder woord en ieder concept heeft een signifiant en een signifié, zo stelde hij in het Frans. Met signifiant bedoelde hij het concreet gerealiseerde ding. Dus bijvoorbeeld een ‘boom’. Uiteraard zal iemand in Afrika zich wellicht een baobab daarbij voorstellen en iemand in Australië een teatree, maar dat zijn toch allebei bomen. Het signifié van een boom is de talige uiting van het plaatje van een boom, in dit geval het woord ‘boom’. Om je duidelijk te maken wat ik bedoel, zal ik het zo omschrijven: als ik de bovenwereld induik en daar allerlei onmogelijke dingen tegenkom, waarvan ik niet weet hoe die heten, probeer ik datgene wat ik zie in taal te omschrijven, zodat jij als lezer het kunt volgen. Dat wat ik daar zie heet ‘signifiant’ en mijn omschrijving daarvan is het ‘signifié’ daarvan.

Zoals je ziet, was dit eigenlijk de eerste denker in de geschiedenis sinds Aristoteles, die het over feiten had. Hij stelde het bestaan van taal en van woorden niet ter discussie, maar onderscheidde dat je een ding had en dat er van dat ‘ding’ een talige uiting was. Dus feitelijk nam hij aan dat alles gewoon bestaat.

Na De Saussure kwam Noam Chomsky, die vooral in Europa erg bekend is. Hij volgde de Russische taalkundige Roman Jakobson na. Terwijl De Saussure vond dat gesproken taal een moeilijk iets was om structuur in aan te brengen, zag Chomsky met de theorie van Jakobson daarover wel een manier om dat te doen. Hij hoefde alle voorgaande zaken niet meer uit te vissen, immers. Hij ging dus de gesproken taal ook aan regels onderwerpen en probeerde zelfs een universele grammatica te maken, die gold voor alle talen op de wereld. Dat is niet echt gelukt, want er zijn maar een paar klanken die in alle talen voorkomen. Dat zijn a, i en oe. Medeklinkers die overal voorkomen, zijn er zelfs helemaal niet en grammaticale regels voor zover ik heb gelezen, ook niet.

Zo zijn er indianentalen, waarin iedere letter bij ons een woord zou zijn. Dus voor een woord in hun taal moeten wij een hele zin uitspreken. Toch heeft hij zijn best gedaan om feiten die te allen tijde gelden, te vinden en wel op het gebied van talen en ook culturen. Hiermee verstevigde hij het besef dat er wel degelijk waarheid is, dat er feiten zijn en dat we dús een fundament hebben waarop we met ons allen staan. Het hele bestaan staat niet meer op losse schroeven sinds deze drie filosofen.

Op het gebied van de psychiatrie was de Fransman Jacques Lacan een structuralist van belang. Hij begon met het in kaart brengen van het onderbewuste, door te stellen dat daar ook een structuur in zou moeten zitten. Hij onderscheidde drie ordes daarin: de imaginaire (begeertes en fantasieën), de symbolische (taal) en de reële (de objectieve buitenwereld, zonder dat je die nog in woorden uitdrukt). Eigenlijk was dat het begin van het zien dat je in beelden en / of in woorden kunt denken.

Poststructuralisme

We gaan naar Michel Foucault. Dat is een denker die vooral veel in de geschiedenis heeft gegraven om denkpatronen in kaart te brengen. Zo schreef hij boeken over de geschiedenis van de seksualiteit, waarin hij bijvoorbeeld vaststelde dat in het oude Rome het concept van een ‘huwelijk’ steeds belangrijker werd. Het was eerst een puur sociaal en familiaal iets, maar in Rome werd het daarnaast een publieke manier van leven, die onderworpen was aan wetten en regels. Rolpatronen ontstonden hierdoor of werden aangepast. Foucault stelde vast dat affectie binnen het huwelijk totaal los stond van de vraag of een stel al of niet getrouwd was.

Foucault trachtte feiten van meningen te onderscheiden door zich af te vragen hoe dingen feitelijk waren in verschillende periodes van de geschiedenis en hoe het allemaal ook kan zijn. Hij had niet zozeer nieuwe theorieën als een bijdrage aan het maken van onderscheid tussen waarheid of feiten en de subjectieve beleving daarvan.

Kunstenaars

Hiertussendoor zeilden een heleboel kunstenaars. Vanaf de oudheid tot het begin van de 20e eeuw vond iedereen eigenlijk dat kunst ‘mooi’ moest zijn. Je moest proberen zo dicht mogelijk bij God te komen door middel van kunst. Dan had je toch nog een beetje God op aarde.

Aan het einde van de 19e eeuw veranderde dat, met de ideeën van Freud, die het over het onderbewuste had. Kunstenaars gingen dat onderbewuste uitbeelden en ook het bovenbewuste: het surrealisme. Dat resulteerde in kunst-die-vaak-niet-meer-mooi-was, maar gaf de filosofen weer stof tot nadenken: wat móést je met dat onderbewuste?? Pablo Picasso met zijn horrorschilderijen met uitstekende ogen en verknipte gezichten was een held op dit gebied.

Later had je ook de Nederlander Maurits Escher met zijn mathematische schilderijen die je vast kent. Zie hierboven. Hij liet zien hoe je de waarheid vanuit verschillende perspectieven kunt bezien: het is echt niet zo eenvoudig, zei hij.

Maar toen kwam Sophy en die zei: hoho! Dát wat je van verschillende kanten kunt bekijken, dat is nou de waarheid, de realiteit, de werkelijkheid. Als er geen waarheid is, kun je die ook niet van verschillende kanten bekijken. En of je een raam nou recht, scheef of op z’n kop zet, het blijft altijd een raam. En als twee mensen dat gezien hebben, dan ís dat er. Daarna mag je oeverloos discussiëren over hoe groot het raam is, hoe dik, waar het op uitkijkt, of het kwalitatief is of niet en nog meer. Dan haak ik lekker af met een kop koffie.

Mijn vader drukte dit zo uit:

Het is een feit
dat een koe meer schijt
dan een geit

Maar één ding is zeker:
een koe schijt meer dan een apotheker!

 

©Sophia Vassiliou 2016 – 2017

Twitter:   –   Facebook   –   LinkedIn

Dit bericht mag vrijelijk gekopieerd worden, inclusief afbeeldingen, die vrij van copyright zijn, op voorwaarde dat mijn naam en een werkende link naar mijn weblog en website aanwezig zijn.

Geef gerust een leuke reactie / Please feel free to give a nice reaction